Een bos in niet zomaar een willekeurige verzameling bomen. Landgoedbossen zijn er in allerlei soorten en maten. De functionele of recreatieve bedoeling van de oorspronkelijke aanleg is in de loop van de tijd meestal gewijzigd. Bij elk type bos hoort wat dat betreft een kijkwijzer: weet wat je ziet!

Sterrenbossen

Een sterrebos past ook in de traditie van de formele Franse parkaanleg. Het is een (sier)bos met een lanenpatroon in de vorm van een ster. De lanen beginnen in een vijf-, zes-, of zevensprong in het bos en waaieren in rechte lijnen uit naar buiten. Vaak kijkt een van de lanen uit op een markant punt in het landschap zoals het landhuis of een kerktoren. Het midden van de 'ster' is vaak verhoogd, zodat de wandelaar een prachtig zicht in iedere richting heeft. Toen de romantische Engelse landschapsstijl in loop van de 18de eeuw de strakke Franse stijl verving, zijn veel van dit soort bossen verdwenen. Toch is er ook een aantal bewaard gebleven, al was het maar omdat sterrenbossen handig zijn voor de jacht: vanuit het middelpunt valt wild via de kaarsrechte wegen op grote afstand te zien. Aanvankelijk werd op het middelpunt vaak een kuil gegraven, waar de jager in kon gaan liggen en zo minder kans had dat wild hem zag. Sterrenbossen in Overijssel zijn onder meer te vinden op 't Hemeltje en Vilsteren.

Foto: OPG- Herstelde sterrenbosch op landgoed het Hemeltje, Bathmen

Parkbossen

Landgoedeigenaren legden in de tweede helft van de 18de eeuw en in het begin van de 19de eeuw parkbossen aan volgens de mode van de Engelse landschapsstijl. Deze bossen werden niet gebruikt voor productiedoeleinden maar om aangenaam in te kunnen wandelen. De stijl van deze bossen kenmerkt zich door slingerende paden, hoogteverschillen in het landschap, waterpartijen en statige lanen vaak met eiken- of beukenbomen. Deze parkbossen bestaan overigens niet alleen uit dichte opstanden. Vaak zijn er ook weilanden ter afwisseling. Ook mooie solitaire bomen op markante plekken zijn kenmerkend voor parkbossen, die op veel landgoederen in Overijssel te bewonderen zijn.

Foto: OPG- Parkbos op landgoed Singraven, Denekamp

Arboreta en Pineta

Een arboretum is een bomenverzameling die deel uitmaakt van de formele tuin of van het parkbos. Een pinetum is een verzameling met naaldbomen vanuit diverse werelddelen. Sommige van deze bomencollecties zijn aangelegd uit wetenschappelijke interesse, maar op landgoederen functioneren ze vaak als landschapsverfraaiing. Eigenaren konden zo ook hun welgestelde status onderstrepen; de zaden of boompjes moesten immers van ver komen. Soms namen eigenaren ze zelf mee van verre reizen, soms kregen ze zaden cadeau. De bomen in arboreta hebben ook vaak bordjes of naamplaatjes, zodat je kunt zien wat voor soort het is en eventueel waar hij vandaan komt. Landgoed de Gelder beschikt een arboretum én een pinetum. Singraven heeft een pinetum.

Foto: OPG- Pinetum op landgoed De Gelder, Wijhe

Productiebos

In de 19de eeuw en eerste helft van de 20ste eeuw was er veel vraag naar naaldhout, dat gebruikt werd in de mijnbouw om gangen te stutten. Er zijn toen op grote schaal grove dennenbossen aangelegd. Hier konden tegen relatief lage kosten veel rechte bomen geproduceerd worden. In die tijd was bosbouw op landgoederen een serieuze bedrijfstak, waarbij – net als op een akker - geplant, gemest en gewied werd. Er was veel aandacht was voor de herkomst van het plantmateriaal. Met de ondergang van de Europese mijnindustrie verloren de productiebossen hun functie. Voor de wandelaar of bosbewoner zijn de 'bomenakkers' minder interessant. In Nederland zijn daarom de afgelopen decennia veel productiebossen omgevormd naar bos met recreatieve en ecologische waarden. Door gedeeltelijk kap kan er meer licht op de bosbodem komen waardoor er meer verjonging en andere soorten planten komen.

Foto: OPG- produtiebos op landgoed Spijkerbosch, Olst

Eikenhakhout

Een variant op de productiebossen met naaldhout vormen de eikenhakhoutbossen. Door de industrialisatie in de 19de eeuw nam de vraag naar leerproducten (zoals aandrijfriemen voor stoommachines) snel toe. Bij de productie van leer was looistof nodig dat werd gewonnen uit de schil van eikenboompjes (de zogenaamde eek). Landgoedeigenaren in Overijssel lieten daarom op grote schaal eiken aanplanten. Dit eikenhout werd eens in de negen jaar door eekschillers van de Veluwe geoogst. De takken en het geschilde hout werden verkocht als brandhout; de eek ging via de Eekwal in Zwolle naar de leerlooierijen in met name Noord-Brabant. Met de komst van chemische looistoffen aan het begin van de 20ste eeuw verloren de hakhoutbossen hun waarde en werden gerooid of omgevormd tot opgaande bossen. Her en der zijn nog oude eikenstobben als restant van de eikenhakhoutcultuur te vinden.