Een landgoed is meer dan oogstrelend natuurschoon rond een fraai historisch landhuis. Het is meestal ook een bedrijf. Voor het onderhoud van de natuur en de gebouwen is namelijk geld nodig, dat op verschillende manieren verdiend wordt.

Agrarische pacht

Van oudsher is de agrarische pacht de belangrijkste inkomstenbron van landgoederen. Boeren 'huren' landbouwgrond en de bedrijfsgebouwen van de eigenaar van het landgoed voor uitoefening van hun agrarisch bedrijf. In Nederland is de pacht streng gereguleerd. Zo is de maximale pachtprijs door de overheid vastgelegd. Voor de boer is het voordeel van pachten dat hij zich minder in de schulden hoeft te steken dan een 'eigen' boer. De verpachter heeft de plicht om de vaak prachtige historische boerderijen in goede staat te houden. Landgoedeigenaren zorgen in overleg met hun pachters voor fraaie landschapselementen zoals vrijstaande bomen en houtwallen. De band tussen landgoed en de bijbehorende boerderijen is extra zichtbaar door kleuren van de luiken.

Foto: OPG- boerderij met landgoedluiken op Weldam, Diepenheim

Verhuur en erfpacht

De meeste landgoederen hebben de beschikking over een aantal panden dat extern worden verhuurd. Door de schaalvergroting in de landbouw zijn veel boerderijen vrijgekomen. Ook de bijgebouwen  van het hoofdhuis of (delen van) het hoofdhuis zelf worden verhuurd. Een veel gebruikte constructie op landgoederen is de erfpacht. Daarbij worden opstallen (boerderij, schuur, woning) verkocht, maar blijft de ondergrond (het erf) van het landgoed. Daarvoor wordt erfpacht betaald. Het voordeel voor het landgoed is dat het erfpachtcontract een beperkte looptijd heeft van meestal 30 jaar. Daarna of ook bij tussentijdse verkoop kan het landgoed de opstallen terugkopen. Daarmee blijft het landgoed op de lange termijn één geheel. Het onderhoud van de gebouwen is voor kosten van de koper. Het voordeel voor de koper is, dat de koopprijs van de opstallen relatief laag is, want losgekoppeld van de grond. Daarnaast is de erfpacht fiscaal aftrekbaar.

Bosbouw

De bosbouw op landgoederen in Overijssel is veelal kleinschalig en van beperkte economische betekenis. Dat was in het verleden wel anders. Vooral voor de mijnbouw was rond 1900 veel naaldhout nodig. Hoewel sommige van deze bossen nog herkenbaar zijn, is deze vorm van bosbouw niet meer gebruikelijk. Tegenwoordig wordt diversiteit van bossen op prijs gesteld. Niet alleen voor de bezoekers en de flora en fauna, maar ook om bosbranden te voorkomen worden naald- en loofbomen gemengd. Het hout wordt verkocht op kwaliteit: lange rechte stammen brengen als timmerhout het meeste op en kleine of kromme boompjes veel minder als brandhout of grondstof voor de papierindustrie. Vroeger werd een perceel vaak in één keer geheel kaalgekapt. Tegenwoordig wordt vaker alleen 'gedund', waarbij bomen selectief gekapt worden op een manier dat de overblijvende bomen meer licht en lucht krijgen om beter te groeien. Daarbij krijgt ook de onderbegroeiing meer kans. Zo is de biodiversiteit van het bos beter gegarandeerd.

Recreatie

Sommige landgoederen verdienen geld aan recreatie. Ze hebben bijvoorbeeld een bed & breakfast, verpachten een oude boerderij als restaurant of exploiteren een theeschenkerij in hun park. De meeste landgoederen verdienen echter niet direct aan toerisme. Vooral de omliggende horeca en middenstand profiteert van de aantrekkingskracht van landgoederen.

Foto: OPG- Recreatie op landgoed Singraven, Denekamp

Beheer

Het beheer van een landgoed is al met al een complexe zaak. Naast 'gewone' bedrijfskundige vaardigheid is vooral ook kennis van regelgeving en subsidies erg belangrijk. Veel landgoederen schakelen daarvoor een rentmeesterkantoor in of hebben een eigen rentmeester in dienst.
Voor het praktische beheer zijn hoveniers, boswerkers en bouwvakkers nodig. In Overijssel zijn veel landgoederen, die al generaties lang - soms zelfs eeuwen - in bezit zijn van één familie. Landgoedeigenaren zijn gewend te denken in lange periodes: decennia of zelfs eeuwen. Een investering die nu gedaan wordt, zal wellicht pas een volgende generatie ten goede komen. Alleen door duurzaam beheer kunnen landgoederen op de lange termijn in stand blijven.

Publieke middelen

Al in 1928 besefte de overheid dat particulier grondbezitters aangemoedigd zou moeten worden om zich hard te maken voor natuurbehoud. In de Natuurschoonwet (NSW) is vastgelegd dat particuliere grondeigenaren allerlei fiscale voordelen krijgen. Zo wordt geen vermogensbelasting, overdrachtsbelasting en successierecht geheven. Daar staat tegenover dat de eigenaar het landgoed voor het publiek moet openstellen en goed onderhouden. Ook wordt het de eigenaar moeilijk gemaakt om het landgoed te verkopen. Zonder de NSW zouden particuliere landgoederen nauwelijks meer bestaan, omdat de belastingdruk zo hoog is geworden dat bijna niemand het had kunnen opbrengen. Ook overheidssubsidies zijn onmisbaar voor veel landgoederen. Rijk, provincie en gemeenten springen soms bij voor restauratieprojecten van monumentale gebouwen of het ontwikkelen van een natuurgebied.

 

Just Schimmelpenninck, landgoedeigenaar