Tuinen en parken onderstrepen het rustieke en groene karakter van historische buitenplaatsen. De aankleding van de directe omgeving van de buitenhuizen verschilt uiteraard van geval tot geval. Maar afhankelijk van de stijl zijn er opvallende gelijkenissen te bespeuren.

Formele aanleg

In de periode 1700-1750 deed de formele of Franse aanleg zijn intrede in Overijssel. De eenvoudige hoven met fruit, groente en snijbloemen, de boomgaarden en het omringende bos worden in geometrische patronen omgevormd. Kenmerkend voor deze stijl zijn een centrale as die als oprijlaan of zichtlaan fungeert en dwarslanen haaks hierop of in een stervormig patroon. De lanen zijn meestal omzoomd met enkele, dubbele of soms zelfs driedubbele rijen laanbomen. Bij het huis werden de rechte structuren vaak ingevuld als hof en boomgaard soms met fraaie vijvers. De vijvers waren rechthoekig of rond van vorm. Een rijke invulling met parterres de broderie (een siertuin met buxuspatronen) zoals bij Paleis het Loo zien we in Overijssel niet veel. Uitzondering is Twickel waar de Franse architect Daniël Marot een dergelijk ontwerp heeft gemaakt. Er zijn nog vele restanten van formele aanleggen te vinden, zoals de sterrenbossen van Vilsteren en de aanleg bij Huis Eerde.

Rococovrijver met beeld De baadster- Foto: Shera van den Wittenboer

Engelse landschapsstijl

Aan het einde van de 18de eeuw kwam Engelse landschapsstijl in zwang. Men wilde men de natuur niet langer inperken en streefde men naar een "natuurlijk" landschap. Hoe verder de landschapsstijl zich ontwikkelde, hoe vrijer de vormen werden en hoe meer de rechte structuren uit de formele periode werden losgelaten. Kenmerkend zijn de slingervijvers en slingerpaden die afwisselend door bos en open grasland lopen. In de aanplant worden steeds meer bijzondere uitheemse bomen en bloeiende heesters gebruikt. De eerste grote aanleg in landschapsstijl was in 1789 op Windesheim, ontworpen door Jacob Otten Husly. Later is deze aanleg uitgebreid door de in Zwolle woonachtige Georg Anton Blum die in Overijssel zeer belangrijk is geweest voor vele aanleggen in deze stijl. Hij ontwierp onder meer de tuin bij Huis Almelo, Boschwijk en zeer waarschijnlijk het park van Den Alerdinck. Een andere Overijsselse ontwerper in deze stijl is Albertus van Leusen. Hij ontwierp bijvoorbeeld de aanleg van de Kranenkamp. De uit Haarlem afkomstige J.D. Zocher jr. ontwierp onder meer het park bij Nieuw Rande in een late landschapsstijl.

Foto: OPG- Engelse landschapsstijl op landgoed De Kranenkamp, Schalkhaar

Neostijl

Aan het einde van de 19de eeuw verlangde men terug naar het oude maar dan in een modern jasje: de neostijl deed zijn intrede. Deze stijl is geïnspireerd op de barokvormen uit de formele periode met rechte lijnen, parterres de broderie en in vormen gesnoeide taxus- en buxusfiguren. Een dergelijke aanleg zien we dichtbij het hoofdgebouw, terwijl verder weg van het huis een aanleg in landschapsstijl gehandhaafd bleef of enigszins werd aangepast. De architecten Leonard Springer en Hugo Poortman ontwierpen in deze stijl. Poortman was een leerling van de Franse Edouard André die in 1885 het ontwerp maakte voor de tuinen van Weldam. Poortman werkte onder meer voor Twickel en in 1888 voor het Nijenhuis te Diepenheim waar hij het voorplein en de omgrachting in een formele sfeer aanlegde, terwijl de aanleg achter het huis in landschapsstijl is ontworpen. Leonard Springer kennen we onder meer van zijn ontwerp van de bloementuin op Groot Hoenlo en het park van

Karin Bevaart, Adviesbureau Groene Monumenten

Foto: OPG- Singraven, Denekamp
Foto: OPG- Singraven, Denekamp