Kasteel Rechteren bij Dalfsen in 2010
Kasteel Rechteren bij Dalfsen in 2010

Wat is een landgoed?

  

Landgoederen zijn er in alle soorten en maten: groot en klein, oud en nieuw, particulier of publiek. De landgoederen in Overijssel worden ook wel aangeduid als buitenplaatsen, havezaten, spiekers of kastelen. Een juist begrip van de voorgeschiedenis verschaft de nodige duidelijkheid.

Middeleeuwse kastelen

De oudste landgoederen in Overijssel dateren uit de Middeleeuwen. Deze hadden vaak een militair- strategische functie. Overijssel telde een tiental burchten of kastelen die in handen van de landsheer, de bisschop van Utrecht, of lokale machthebbers waren. Kenmerkend voor een middeleeuwse burcht was de versterkte toren, de zogenaamde donjon. Van dit type versterkingen is alleen kasteel Rechteren bij Dalfsen bewaard gebleven. Jongere landhuizen worden ten onrechte ook wel als kasteel aangeduid. Vaak gaat het hierbij om huizen die door het aanbrengen van hoektorens en/of kantelen het uiterlijk van een kasteel hebben gekregen.

Kasteel Rechteren in 1729 door Abraham de Haen
Kasteel Rechteren in 1729 door Abraham de Haen

Havezaten (17de en 18de eeuw)

Van 1578 tot 1795 was Overijssel één van de zeven zelfstandige Nederlandse gewesten. Het bestuur van de provincie lag in handen van de drie hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwolle en van de Ridderschap. Het lidmaatschap van de Ridderschap stond open voor edellieden uit oude Overijsselse geslachten, die de gereformeerde religie aanhingen en in bezit waren van een woonhuis op het platteland of in de stad Vollenhove, een zaalstede of havezate geheten. Een havezate met bijbehorende goederen moest tenminste 25.000 gulden waard zijn. In ruil voor deelname aan het provinciaal bestuur genoot de bezitter van een havezate belastingvoordelen. De meeste havezaten kenmerken zich door een hoofdgebouw van twee of drie etages, omringd door een gracht, voorzien van enkele bijgebouwen en tuinen en parken in formele en/of landschappelijke stijl.

Havezate Warmelo bij Diepenheim - Foto: Shera van den Wittenboer
Havezate Warmelo bij Diepenheim - Foto: Shera van den Wittenboer

Spiekers (tot de 18de eeuw)

Welvarende burgers uit met name de Overijsselse steden belegden een deel van hun vermogen in boerderijen en grond op het platteland. Voor verpachting van dit vastgoed lieten zij zich uitbetalen in natura, overwegend graan, dat ter plekke werd opgeslagen. Vaak hadden de burgers een eigen vertrek in of zelfstandig woongedeelte bij de pachtboerderij, die ook wel spieker (= graanopslagplaats) werd genoemd. In de loop van de tijd ontwikkelde een dergelijk bezit zich vaak tot een volwaardig landhuis. De spiekers onderscheiden zich over het algemeen van de havezaten door een bescheidener bouwvolume en grondoppervlak en het ontbreken van een gracht direct om het huis.

Buitenplaatsen (19de eeuw)

Door de Bataafse omwenteling van 1795 verloren de havezaten hun staatsrechtelijke betekenis. Aan de automatische vertegenwoordiging van de adel in het openbaar bestuur kwam een einde. Veel havezaten zijn nadien gesloopt of in handen van rijke burgers gekomen. Bij de hogere burgerij tekende zich steeds nadrukkelijker een trend af om de zomerdagen buiten de stad op het platteland door te brengen. Zij lieten ook nieuwe huizen bouwen, vaak op zojuist ontgonnen heide- en moerasgronden. Deze buitenhuizen fungeerden dus letterlijk als plaats buiten de stad, waar men in de zomer vakantie hield en in het najaar genoot van de jacht. Een bijzondere categorie vormen de buitenplaatsen die tussen 1850 en 1960 door textielfabrikanten in Twente zijn aangelegd.

Het Stroot bij Twekkelo - Foto: Henk Snuverink
Het Stroot bij Twekkelo - Foto: Henk Snuverink

Landgoederen (20ste eeuw)

In de 20ste eeuw kwam er steeds meer begrip voor de landschappelijke functie die de buitenplaatsen vervulden, met name vanwege de exploitatie van de weinig rendabele bossen. In 1928 werd de Natuurschoonwet van kracht, die eigenaren van erkende landgoederen fiscale voordelen bood. Voorheen was de term landgoed al in gebruik voor een stuk grond in het buitengebied, al dan niet met landhuis, maar nu kreeg deze een officiële status. Een tegenprestatie voor rangschikking onder de Natuurschoonwet is (gedeeltelijke) openstelling van het landgoed. De wet was het begin van een toenemende bemoeienis van overheden met landgoederen. De exploitatie van de landgoederen kon steeds minder uit de traditionele inkomsten uit pacht en bosbouw gedekt worden. De eigenaren gingen op zoek naar alternatieve inkomsten (niet in de laatste plaats werk buiten de deur) of besloten hun eigendom over te dragen aan familiestichtingen, overheden of natuurbeheerorganisaties. De afgelopen decennia is veel geld en aandacht besteed aan de restauratie van soms sterk vervallen landgoederen in Overijssel.

Ewout van der Horst, stichting IJsselacademie