In Twente hebben welgestelde textielfabrikanten tussen 1850 en 1930 veel verschillende buitenplaatsen, landgoederen en stadsvilla's gesticht. Nergens in Nederland vindt men zo'n hoge concentratie van jonge buitengoederen in een relatief klein gebied. Deze buitengoederen waren het resultaat van een surplus aan winst en de mogelijkheid van de fabrikanten om vrijgekomen (heide)gronden te kopen. Zij bouwden er na ontginning smaakvolle buitenhuizen en creëerden hun eigen droomlandschap met prachtige tuinen, landschapsparken en uitgestrekte bosgebieden, die nu het geroemde coulisselandschap van Twente vormen.

Het Stroot
Historische ansichtkaart van Het Stroot, Enschede

Liefde voor het land

Anders dan elites in het westen van het land hadden, de Twentse fabrikantenfamilies van oudsher een sterke band met het platteland. Voorgaande generaties werkten er als fabrikeur: ze trokken rond om bij boeren thuis geweven stoffen af te nemen en kenden de boerderijen en het buitengebied goed. Hier bevonden zich ook blekerijen en ververijen, meestal in de buurt van een beek. Veel fabrikantenbuitenplaatsen komen voort uit een herenkamer of een theekoepel bij een blekerij of ververij, waar men verpoosde om de lawaaiige stad te ontvluchten. Soms werden boerderijen aangekocht als investering. De textielfamilies maakten ook vele reizen naar het buitenland. Uit menig briefwisseling tijdens deze verre reizen blijkt hun liefde voor en heimwee naar het Twentse land.

Exterieur en interieur van Het Stroot
Exterieur en interieur van Het Stroot, Enschede

Pleziertuinen

Na de overschakeling van de huisweverij naar de fabrieksmatige productiewijze lag de woning van de fabrikant meestal naast de fabriek. Naarmate de industrialisatie in de textielcentra toenam, na de trek naar buiten een steeds grotere vlucht. Rond de theekoepel of het buitenhuis werden pleziertuinen aangelegd. Hiervoor gaven de fabrikanten vaak lokale tuinarchitecten opdracht, vooral vader en zoon Wattez waren zeer geliefd bij de textielfamilies. Maar ook andere bekende tuinarchitecten, waaronder Leonard Springer, zijn verantwoordelijk voor het ontwerp van een groot aantal tuinen en parken. Vaak brachten de families drie maanden, en later nog langer, door op hun buitenplaatsen. De zomers vormden een langgerekte periode waarin het buitenleven een belangrijke rol speelde. De heren vermaakten zich onder meer met de jacht.

Bellinckhof, Almelo (foto: Shera van den Wittenboer)
Bellinckhof, Almelo (foto: Shera van den Wittenboer)

Buitenhuizen

De eerste generatie buitenhuizen bestond vooral uit wit gepleisterde, symmetrisch ingedeelde villa's in classicistische stijl. Ze werden ontworpen door architecten die lokaal naam hadden gemaakt, zoals de familie Beltman. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden veel van deze zomerverblijven vervangen, verbouwd of uitgebreid tot grotere landhuizen waar men het hele jaar door kon verblijven. De families vroegen daarvoor steeds vaker een landelijk vermaarde architect uit het westen van het land, zoals Samuel de Clerq of Hendrik Petrus Berlage. Het Stroot van de Boekelose tak van de familie van Heek vormt, samen met Het Amelink van de familie Blijdenstein, één van de oudste en meest exemplarische textiellandgoederen. Hier werd de ontwikkeling doorlopen van theekoepel tot royale villa. In verschillende fasen vonden verbouwingen en uitbreidingen plaats aan de oorspronkelijke theekoepel.

De Borg, Beuningen
Engelse landhuisstijl bij De Borg, Beuningen

Engelse invloeden

Als gevolg van diverse reizen naar Engeland voor het importeren van stoommachines, nam de Engelse invloed op de Twentse textielfamilies toe. De gevierde fabrikanten stuurden hun zonen op stage in Engelse fabriekssteden, waardoor ze niet alleen in aanraking kwamen met de nieuwste productiemethoden, maar ook met allerhande daar heersende modes en gebruiken.

Interieur De Borg, Beuningen
Interieur De Borg, Beuningen

Op allerlei vlakken zien we bij de Twentse textielfamilies de Engelse invloed terug. In de huizen en de tuinen, maar ook het hele leven eromheen was doordrongen met de Engelse smaak. Om te beginnen waaide de mode van het theedrinken over. Veelvuldig werd thee gedronken in de buitenhuisjes en koepels, die daarom al snel theekoepels werden genoemd. Daarnaast werd de balspelen 'lawn tennis', 'football' en 'croquet' in Twente geïntroduceerd. Veel huizen werden naar de Engelse mode gebouwd in de Engelse cottage- of landhuisstijl en uitgebreid met een ruime 'hall', een bibliotheek en een zitkamer met een knusse houten lambrisering.

Theekoepel landgoed Oldenzaalse Veen, Enschede
Theekoepel landgoed Oldenzaalse Veen, Enschede

Staalkaart van stijlen

Veruit de meeste families kozen tot ver in de twintigste eeuw voor een dergelijke traditionele inrichting met modern comfort. Slechts een klein deel heeft zich willen onderscheiden door te kiezen voor een vernieuwende vormgeving of een meer 'adellijke' uitstraling die teruggreep op de zeventiende eeuw. Zo vormen de bijna honderd buitenhuizen en landgoederen een ware staalkaart van architectuur- en landschapsstijlen.

Mascha van Damme - Het Oversticht